In het zesde en laatste deel van zijn autobiografie reist Konstantin Paustovski naar allerlei uithoeken van de Sovjet-Unie. Het begint echter treurig, met de dood van zijn moeder en zijn zus. Nu heeft hij geen familie meer. Dat ontheemde gevoel komt verder niet meer aan bod. Het lijkt wel of mede-schrijvers zijn familie zijn geworden: journalisten die hij ontmoet op de redactie van kranten, en later mensen die hij ontmoet in een zomerhuis dat speciaal voor schrijvers is bedoeld, om aan een boek te kunnen werken. De stukken over de schrijvers vind ik echter niet zo heel interessant; die lees ik wat vluchtiger door.
Door de vele plekken waar Paustovski woont, is het boek nogal fragmentarisch van opzet. In elk hoofdstuk zit hij weer ergens anders. Een aantal keren verwijst hij naar andere boeken, die hij eerder heeft geschreven en waar ook autobiografische elementen in zitten. Verder merkt hij zelf op dat hij af en toe afdwaalt, waarbij hij excuses maakt aan de lezer. Er zijn wel weer een aantal prachtige beschrijvingen van de natuur en de lokale bevolking bij, die helemaal tot hun recht komen in de sublieme vertaling van Wim Hartog.
Toch heeft dit zesde deel veel indruk op mij gemaakt en dat komt door de hoofdstukken over Lenin en Stalin. Hiervan is een deel oorspronkelijk gecensureerd, maar ze zijn teruggevonden en in de recente heruitgave van Van Oorschot opgenomen. Verder lezen