In twaalf essays beschouwt Jeanette Winterson de invloed van kunstmatige intelligentie op ons mens-zijn en onze samenleving. Ze begint bij de geschiedenis, waarbij ze allerlei beroemdheden noemt. Dat zijn niet alleen mannelijke computernerds, maar ook Mary Shelley die Frankenstein schreef en Ada Lovelace die ze typeert als de allereerste computerprogrammeur. Op papier tenminste, want Ada leefde ver voor de eerste computer werd gebouwd. Die eerste computer werd geprogrammeerd door vrouwen. Pas in de jaren tachtig keerde dat om en werd ontwikkelen van software meer door mannen gedaan, onder invloed van reclames van Apple voor de eerste thuiscomputer. Uit de geschiedenis van de industriële revolutie en andere technische ontwikkelingen kunnen we lessen trekken:
… dat een regering wetgeving moet invoeren om ervoor te zorgen dat niet alleen de enkelingen, maar ook de massa’s kunnen profiteren van innovatie.
Ze haalt er van alles bij, zoals religie en vooral feminisme. Ik vind het interessant hoe ze het allemaal met elkaar vergelijkt en verbindt. Ze legt uit hoe belangrijk het is dat we alert blijven:
Verder lezen




