In een oude, verpauperde woonwijk is een nieuw appartementencomplex gebouwd, met een opvallende architectuur. De muren zijn bijna allemaal gebogen en er zijn veel ramen. Het wordt al gauw ‘de bijenkorf’ genoemd. De mensen die er zijn komen wonen, zijn andere types dan hun volkse buren. Dat leidt al gauw tot wrijving en achterdocht.
Herman Franke laat wel meer dan tien wijkbewoners aan het woord, waarvan de meesten in de bijenkorf wonen. Naast ieders eigen levensproblemen en stokpaardjes hebben ze ook allemaal ander taalgebruik, wat heel knap gedaan is. Violist Elto gebruikt veel archaïsche woorden. De gepensioneerde meneer Forstenalt denkt nog regelmatig dat het oorlog is. Mernin schrijft voor een feministisch tijdschrift en Vartor werkt aan een proefschrift over mislukte uitvindingen. De kinderen Milla en Jacho spelen op straat en weten daardoor wie er allemaal in de bijenkorf wonen, hoewel hun ouders hebben gewaarschuwd dat ze er uit de buurt moeten blijven.
Verder lezen




