Voorouders van Robin Wall Kimmerer behoorden tot de inheemse inwoners van de Verenigde Staten van Amerika. Ze heeft echter weinig van de tradities meegekregen, doordat deze mensen een paar generaties geleden vreselijk werden behandeld door immigranten. Hun kinderen werden bij ze weggehaald en naar kostscholen gestuurd, waar ze hun eigen taal niet meer mochten spreken. Robins liefde voor de natuur maakte haar nieuwsgierig naar de lessen van haar oude volk en andere Noord-Amerikaanse volken en ze ging op zoek naar wat er nog van over is. Haar bevindingen beschrijft ze in Een vlecht van heilig gras.
Dit boek werd door diverse mensen aangeraden en ik kwam het al een paar keer tegen in andere boeken, zoals Scheppings(t)rouw. Het werd niet meteen heel populair toen het uitkwam, maar het verspreidde zich langzamerhand doordat mensen er enthousiast over waren. Dat is toch het mooiste! Ik ben niet meteen overtuigd als ik het begin lees, want dat kost me wat moeite om door te komen. Maar dan komt er een geweldig hoofdstuk over de taal van Robins voorouders, die net als het volk Potawatomi heet. Taal is nooit neutraal; hoe je iets zegt heeft invloed op hoe je erover denkt. Het Potawatomi maakt onderscheid tussen bezielde wezens en onbezielde dingen. Mensen, dieren, planten en stenen zijn allemaal bezield! In het Nederlands zou je die allemaal kunnen aanduiden met ‘iemand’ en ‘die’. Hoe anders klinkt het als je zegt ‘er vliegt iemand rond’ in plaats van ‘er vliegt iets door de kamer’.
Verder lezen




