
Iedereen heeft een hoogte waarop hij of zij zich het lekkerst voelt. Voor de vader van Pietro is dat boven de boomgrens, waar alleen nog rotsen en sneeuw je omringen. Elke zomervakantie gaat hij de Alpen in. Op een gegeven moment mag Pietro mee en zo maakt hij kennis met een andere kant van zijn vader, waar hij later over zegt:
…dat ik twee vaders had gehad: de eerste was de vreemdeling met wie ik twintig jaar in de stad had gewoond en met wie ik de tien jaar daarna alle banden had doorgesneden; de tweede was de vader uit de bergen, van wie ik slechts een glimp had opgevangen maar die ik beter kende, de man die achter me over de paden liep, die van gletsjers hield.
Kindle
