De joodse Edith Hahn Beer overleefde de Tweede Wereldoorlog door een paar keer geluk te hebben, hulp van andere mensen en door niet op te vallen. Ze trouwde zelfs met een Duitse nazi. Na de oorlog is ze doorgegaan met hierover te zwijgen, maar haar dochter wilde heel graag weten wat haar ontstaansgeschiedenis is. Daarom heeft Edith haar autobiografie geschreven, met hulp van de Engelse auteur Susan Dworkin. De Nederlandse vertaling is gemaakt door Ineke van Bronswijk en die heeft dat goed gedaan, want ik heb tijdens het lezen niet gemerkt dat het vertaald is.

Het boek begint bij haar jeugd in Wenen, met haar ouders en twee zussen. Ze weten wel dat ze joods zijn, maar gaan zelden naar de synagoge en spraken geen jiddisch. In de jaren dertig gaat Edith rechten studeren, bijzonder voor een vrouw in die tijd! Haar ambities zijn groot. Ze heeft een vriend, Pepi, waarmee ze graag filosofeert. Hij zorgt ervoor dat Edith in Wenen blijft als Oostenrijk in 1938 wordt ingelijfd door Duitsland, terwijl haar zussen net op tijd naar Palestina zijn gevlucht.
Ik vind het weer ontstellend om te lezen hoe diep de joden gehaat werden, terwijl ze daarvoor juist belangrijke functies hadden. Verder lezen