Twee jongens en hun vader moeten hun moeder en vrouw voortaan missen. In het begin worden ze overspoeld met mensen die langskomen met goede raad en pannen eten. En dan komt Kraai. Hij zal blijven zolang het nodig is.
De korte hoofdstukken worden afgewisseld tussen de vader, de jongens en de kraai. Hij praat in mensentaal, maar zijn taalgebruik is soms een soort gekras of hij gebruikt grappige alliteraties. De jongens beschrijven hoe ze met hun vader omgaan na de dood van hun moeder, maar ze halen vooral herinneringen op.



