Al aan het begin van het lezen van De humeuren van meneer Utac gaat er in mijn hoofd een tropisch muziekje aan. Het klinkt zoals een lied dat ik ooit speelde toen ik in een folkband zat:
De zon schijnt, het is warm en palmbomen wuiven zachtjes door een zeebriesje. Iedereen is vrolijk, al wordt er ook veel gekibbeld door de temperamentvolle bevolking. Er komt een schip aan. Mensen begeven zich uitgelaten naar het strand. Voor het eerst in vijftien jaar komt meneer Utac weer op zijn geboorte-eiland Santiago, één van de Kaapverdische eilanden. Hij wordt hartelijk welkom geheten door de oudere eilandbewoners, die hem goed kennen. Regelmatig gebeurt het dat het even duurt voor ze hem herkennen, want Utac is erg veranderd.



In 1966 wordt een meisje met rood haar verliefd op de frontman van een band. Zo begint Muze. Het tweede hoofdstuk gaat over het huwelijk van het meisje met haar gitarist. Dertig jaar later overkomt hun dochter hetzelfde: ze valt als een blok voor de knappe gitarist van een soulband uit New York. Daar gaat de rest van het boek over. Door deze constructie kreeg ik het gevoel drie keer opnieuw te beginnen in het boek, maar achteraf gezien vind ik het erg mooi gekozen.