Leesreis door de provincies: Limburg

Ik leerde mijn vader pas kennen toen hij dood was. We zaten op de binnenplaats aan tafel. De hitte hing als een beschonken kerel over ons heen en we dronken grenadine die in de kelder gekoeld was omdat de koelkasten de weg nog niet hadden gevonden naar de keukens, waar in die dagen grote kolenfornuizen stonden en lange tafels met veel stoelen, omdat de gezinnen nog omvangrijk waren.
Op die zomeravond, toen de herfst al aan het daglicht begon te likken, zaten mijn tantes verhalen te vertellen over mensen die voor mij geen gezicht hadden omdat ik ze nog nooit had gezien.

Mijn belangstelling is meteen gewekt door deze eerste zinnen van Het huis van de zeven zusters. De verteller is Emma, die dertien jaar is ten tijde van deze scène. Zij is de dochter van Martha, de oudste van zeven zussen die samen werken in hun bakkerij. In dit boek vertelt ze wat ze van haar tantes heeft gehoord over haar familiegeschiedenis. Verder lezen

De Maskilim – Menno Haaijman

Jaren geleden ontmoette ik Menno Haaijman. Hij zat aan een tafel met allemaal mensen die aan zijn lippen hingen. Hij vertelde vol overtuiging wat anekdotes uit zijn eigen leven. Later hoorde ik dat hij ooit alles had verkocht wat hij had en het geld weggaf, om vervolgens helemaal opnieuw te beginnen. Dit staat immers letterlijk zo in de bijbel. Toen ik hoorde dat deze intrigerende man een roman had geschreven, wilde ik die natuurlijk lezen. Tien jaar later besloot ik om het nog eens te lezen. Zou ik het weer zo geweldig vinden?

Het boek begint met een heftige scène: de chassidische jood Jacob Klein wordt verleid tot seks met een leerling. Hij belandt in de gevangenis, waar hij uit zelfverdediging een paar mannen doodt. Dertig jaar lang brengt hij door in eenzame opsluiting. Zijn enige gezelschap is een bijbel (juist, inclusief het nieuwe testament), die hij vooral bestudeert op voorspellingen over de toekomst. Klein was namelijk behalve schooldirecteur ook professor in de eschatologie: de leer der laatste dingen.

Verder lezen

En dan nu het goede nieuws – Franka Hummels en Karin Sitalsing

‘Als ik de baas zou zijn van het journaal, dan werd het hele nieuws een heel stuk positiever,’ zongen we vroeger mee met Kinderen voor kinderen. Vaak word ik een beetje moedeloos bij het koppen snellen. Wat een ellende is er in de wereld. De mooie dingen halen het nieuws meestal niet. Maar ze gebeuren wel. Franka Hummels en Karin Sitalsing besloten om die verhalen op te schrijven.

In twaalf hoofdstukken worden actievelingen in het zonnetje gezet die iets moois doen voor een ander of voor de wereld. Sommige zijn echt ontroerend, zoals het verhaal van de ouders van Pim, die overleed na een aanrijding met een vrachtwagen. De ouders besloten om de chauffeur bij hun thuis uit te nodigen en niet te veroordelen, want het was immers een ongeluk. Waar anderen haat zouden koesteren, kiezen zij ervoor om hem ook als slachtoffer te zien.

De jongste hoofdpersoon is veertien en bestiert in het weekend een school waarin tieners bijles geven aan kinderen. De oudste is een vrouw die na de oorlog met de nek aangekeken werd als dochter van een NSB’er. Nu zet ze zich in voor kinderen in het IS-kalifaat. Het mafste verhaal gaat over Aaf die snorkelt in de Leidse grachten en daar rommel opruimt, maar ook aan kinderen laat zien wat er allemaal leeft.

Franka en Karin hebben het allemaal opgeschreven in klare taal: Verder lezen

Ik verbind u door – Vonne van der Meer

‘Je mag best chagrijnig zijn, als het maar niet besmettelijk is,’ zei een collega ooit. In Ik verbind u door gaat het over zo’n besmettelijk humeur. Het begint met een echtpaar dat in de ochtend ruziemaakt. Eén van hen is daarna nukkig tegen een collega en zo gaat het verder, bijvoorbeeld met een man die in het zwembad expres iemand anders een trap geeft, omdat die vent in de weg staat. Vonne van der Meer beschrijft een ketting van mensen. In een paar zinnen schetst ze een ruimte met een persoon; ik zie het zo voor me. Verder lezen

De stilte van Thé – Marie de Meister

In 1941 schrijft Thé voor het eerst een brief aan haar zus Magda, die is ingetreden in een klooster. Twee bladzijden later springt het verhaal naar een non in 1994, waar Sophie Keller een reportage over maakt. Wat de band is tussen Sophie en Thé ontdek ik pas een heel stuk verderop in het boek. Marie de Meister zet eerst een aantal verhaallijnen uit, met flashbacks naar Sophies jeugd in een pleeggezin, haar studententijd en het recente verleden met haar vriend Baauwe. Dat zijn dus in totaal vijf tijdstippen! Het is maar goed dat ik meteen een bladzijde of 70 lees, zodat ik de opzet ongeveer door heb.

Verder lezen

Lalagè leest ook poëzie

Poëzie blijft lastig, schreef ik al eerder. En toch blijf ik het proberen, omdat ik ook een paar keer fantastische gedichten heb gelezen en dat wil ik weer. Soms lees ik een gedichtenbundel, of een halve. Zo las ik de afgelopen tijd:

  • De volgende scan duurt vijf minuten – Lieke Marsman
  • Hoe ik een bos begon in mijn badkamer – Maartje Smits (met foto’s erbij)
  • de helft van Hier kijken we naar – Hannah van Wieringen
  • De herinneringen zien mij – Tomas Tranströmer

Erover bloggen is lastig, maar in het kader van Sandra’s poëzieweek krijgen jullie dit artikel voorgeschoteld. Verder lezen