Utrecht, 1829. Tweelingzussen Sabine en Karlijn zijn achttien jaar. Sabine is serieus en werkt hard in de winkel bij de drukkerij van haar vader. Karlijn houdt zich liever bezig met haar spiegelbeeld en mooie jurken. De zussen zijn elkaars tegenpolen, maar ze houden veel van elkaar. Het is dan ook een grote verandering als Sabine wordt uitgehuwelijkt aan een oudere man en met hem naar Brussel vertrekt. Nu moet Karlijn achter de toonbank staan en glimlachen, ook al heeft ze één van haar chagrijnige buien.








