Met deel vijf nader ik het einde van Konstantin Paustovski’s autobiografie in zes delen. Toch is Paustovski pas net dertig, want het is 1923. Aan het begin van De sprong naar het zuiden is hij nog op het schip waarmee deel vier eindigde. Ze varen over de Zwarte Zee en doen de haven van Soechoem aan. Op dat moment is Abchazië in quarantaine vanwege nare besmettelijke ziektes, althans, dat beweert men. Het is dus niet de bedoeling dat mensen er van boord gaan, maar Paustovski krijgt het voor elkaar dat hij toch even een uurtje aan wal mag. Zijn koffer moet achterblijven, om ervoor te zorgen dat hij wel weer terugkomt. Gelukkig heeft hij wel geld bij zich en hij besluit om een tijdje in dat bijzondere land te vertoeven.
Voor mij was toentertijd alles vreemd in Abchasië, de bergen, de rivieren, de plantengroei, de mensen. De reusachtige bergtoppen waarvan ik de namen nog niet kende, tekenden zich het scherpst af tijdens de zonsondergang. In het licht van de ondergaande zon gloeiden hun ijzige tanden als kolen. (…)
Deze eerste, enigszins onheilspellende indruk van de bergen veranderde pas in de lente toen ik diep in Abchasië doordrong en de bergen in hun volle schoonheid met hun beukenbossen, schuimende rivieren en wildwoekerende begroeiing aanschouwde.
Ik kende niemand in Soechoem en zwierf vaak in mijn eentje in de omgeving van de stad rond. Ik durfde niet ver weg te gaan.