In 2065 begraaft Maria haar man Aron. Ze vindt het een heel naar idee dat hij nu onder de koude aarde ligt. Haar zoon Seth, die normaal in Oeganda woont, logeert bij haar. Maar hij is vaak op stap, onder andere om een plek in een verzorgingstehuis te vinden voor zijn moeder. Maria ziet dat niet zitten, want dan kan ze haar twee katten niet meenemen.
Maria’s gedachten zijn vaak warrig en Marieke van Meijeren geeft dat op een poëtische manier weer. In het begin kost het me daarom moeite om in het verhaal te komen, ook omdat er veel flashbacks naar vroeger zijn. Die gaan met name over de tijd dat Seth een peuter was en Maria gedwongen werd opgenomen op een psychiatrische afdeling. Ze was depressief doordat ze in Afrika in een oorlogsgebied had geleefd. Maar dat haar kind tijdelijk door anderen werd verzorgd, leverde ook een trauma op.
