Vlaanderen, 1975. Een kloosterbroeder vertelt hoe hij de financiële man van een psychiatrisch ziekenhuis werd. Het duurt even voor ik begrijp dat hij zich in de je-vorm richt tot zijn moeder, die op sterven ligt en niet meer kan reageren. De monnik trad in, omdat hij het niet zag zitten om gezinshoofd te worden. Wegens gebrek aan opleiding kon hij geen priester worden. Wel had hij boekhouden geleerd op de avondschool. De kloosterorde heeft psychiatrische afdelingen onder haar hoede en zo kwam deze broeder daarmee in aanraking.
De ergste gevallen zijn te vinden in zaal 9, met mannen die het verstandelijk vermogen van een peuter niet voorbijkomen en hun eigen uitwerpselen op de muren en in de gordijnen smeren. Ze komen nooit buiten. Ze hebben vaak niet eens normale kleding. Een nieuwe jonge verpleegster pleit ervoor dat ze allemaal aangekleed worden. Zij wil met de jongens gaan wandelen. De andere personeelsleden, waaronder psychiaters, hebben het niet zo goed voor met hun patiënten. Op een gegeven moment wil een arts meewerken aan een farmaceutisch onderzoek naar een nieuw medicijn tegen schizofrenie. Niet dat deze mannen aan wanen lijden, maar de vergoeding voor de dokter is te aantrekkelijk en de meeste patiënten hebben toch geen familie meer die naar ze omkijkt. Dus dat is makkelijk geregeld.
Verder lezen