Hidde heeft mot met zijn broer Jeppe. Die krijgt een drumstel en dat wil hij in de kelder zetten. Maar de kelder is van Hidde, die daar een lab met insecten heeft ingericht. Het staat vol met glazen bakken met allerlei diertjes: krekels, kevers, vlinders… Hidde wil dat niet opgeven en Jeppe is vastbesloten dat het nu zijn beurt is om gebruik te maken van de kelder.
Simon van der Geest vertelt dit verhaal in een dagboekvorm, wat goed werkt. Leuk zijn de tekeningen van Karst-Janneke Rogaar, die er echt uitzien zoals een jongen uit groep acht zou kunnen maken. Meestal zijn de insecten door Hidde afgebeeld en soms een plattegrond om de situatie van het verhaal te ondersteunen. Het is een echt jongensboek, maar er komen ook giechelende meisjes voorbij.
Eén daarvan heet Lieke. Hidde vindt haar leuk, maar durft dat niet zomaar te zeggen. Hij besluit om roze vlinders te kweken, want roze is Liekes lievelingskleur. Als het lukt, dan kan hij haar uitnodigen om ze te komen bekijken. Maar ook hierbij gooit Jeppe roet in het eten.

De ruzie tussen Hidde en Jeppe loopt hoog op. Hun moeder is altijd aan het werk, dus die kan niet ingrijpen. Hidde wil haar ook niet vertellen wat er speelt, want ze weet niet eens dat er een kelder onder hun huis is. Bovendien hebben Jeppe en Hidde afgesproken dat de kelder geheim moet blijven. Waarom precies, dat weet je als lezer pas aan het einde van het boek. Het heeft te maken met de dood van hun broer Ward, drie jaar geleden.
De spanning blijft steeds in het verhaal en ik lees het graag. Toch begrijp ik pas bij de laatste hoofdstukken waarom Spinder in de Grote Vriendelijke 100 is beland. Het slot is zelfs ontroerend. De thema’s rouw en pesten zijn op een herkenbare manier verwerkt in een verhaal dat behapbaar is voor kinderen en ook mooi om te lezen voor volwassenen.
Luister naar Simon van der Geest bij de Grote Vriendelijke Podcast.