Babs Taal vertelt haar levensverhaal in romanvorm. Ze was internist en werkte vele jaren als oncoloog in het Antoni-van-Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam. Toen ze in de jaren ’60 voor een studie geneeskunde koos, waren vrouwelijke artsen nog zeldzaam. Dat zorgde soms voor twijfel, maar uiteindelijk deed ze wat ze het liefste wilde doen.
De witte jas begint met een scène in het ziekenhuis. Hoofdpersoon Gilda is dan negen jaar en haar moeder is weer opgenomen, vanwege problemen met haar darmen. Ze heeft de ziekte van Crohn en moet daarom vaak worden geopereerd. Dan is ze weer weken van huis en moet het gezin hun moeder missen. Het maakt veel indruk op de jonge Gilda en het motiveert haar om later dokter te willen worden.
Dan springt het boek naar Gilda’s eerste baan in het ziekenhuis. Ze doet ervaringen op bij de chirurgie en ziet de gevolgen van akelige ongelukken. Het vak boeit haar mateloos en ze droomt van een carrière als chirurg. Maar het lukt niet om een opleidingsplaats te krijgen. Dat lukt wel bij de interne geneeskunde in Rotterdam. Daar merkt Gilda dat het veel voldoening geeft om diagnoses te stellen die niet voor de hand liggen: ze houdt van het puzzelen.
Verder lezen